Sultanstrail

Servië PDF Afdrukken E-mailadres
There are no translations available.

Een groot deel van de Sultan's Trail (ruim  600 kilometer) loopt door Servië. Servië is een van de weinige landen waarvan Google Maps geen wegen aangeeft.

Servië viel onder direct Osmaans bestuur van 1459 tot 1804. In 1815 ontstond het Vorstendom Servië, een semi-onafhankelijk vorstendom onder Osmaanse supervisie, geleid door Miloš Obrenović. In 1903 wist het huis Karađorđević de macht te verwerven. Aleksandar Karađorđević, zoon van de laatste koning, die nooit abdiceerde, werd geboren 17 juli 1945. Als 'kroonprins van Joegoslavië' meent hij recht te hebben op de Servische troon van de op 5 juni 2006 onafhankelijk verklaarde Servische staat. Zijn zoon Peter Karađorđević (1980) zou hem opvolgen als kroonprins voor de vacante troon in Belgrado. Meer info over de Servische Koninklijke Familie.

Joegoslavië viel in de jaren negentig langzaam en gewelddadig uit elkaar. Servië en Montenegro vormde tussen 1992 en 2006 een federatie, vanaf 2003 Servië en Montenegro geheten. Op 3 juni 2006 riep Montenegro zijn onafhankelijkheid uit. De Servische onafhankelijkheidsverklaring volgde twee dagen na die van Montenegro op 5 juni 2006. Op 17 februari 2008 scheidde ook Kosovo zich af van Servië en riep zichzelf uit tot onafhankelijke staat.


Novi Sad

Novi Sad gelegen op de linkeroever van de Donau, ontstond in 1694 na de bouw van het fort Petrovaradin, waar Oostenrijk en Venetië de Turken in 1716 een nederlaag toebrachten. De plaats lag strategisch, tegenover het fort Petrovaradin, een belangrijk bruggenhoofd aan de overzijde van de rivier. Novi Sad werd pas in de 18e eeuw een stad en ontwikkelde zich in de 19e eeuw tot een Servisch "Athene". De stad behoorde in die periode tot Hongarije, terwijl Servië verder Turks was. De voornaamste bezienswaardigheid van Novi Sad is het fort en de Kerk van de Besneeuwde Heilige Moeder in Tekije. Nadat Belgrado opnieuw Turks was geworden in 1739 trokken veel Duitse katholieken, Armeniers, Joden en Grieken vandaar naar Novi Sad. De katholieken bouwden toen hun Besneeuwde Mariakerk en droegen deze op aan de Oostenrijkse overwinning op de Turken bij Novi Sad in 1716.

Voor de etnische schoonmaak en genocides waren er grote Griekse en joodse bevolkinsgroepen. De laatste bouwde in 1909 een grote synagoge. Na 1945 waren er nog maar enkele joden in de stad. Hun synagoge wordt tegenwoordig voor cultureel-artistieke manifestaties misbruikt en kan ook als concertzaal worden gehuurd.

In 1920 werd de stad bij het Verdrag van Trianon met de rest van de Vojvodina toegewezen aan Joegoslavië.
Novi Sad kreeg in 1960 een universiteit en ontwikkelde zich in 1999 tot een belangrijk doelwit voor de NAVO-bombardementen op het Joegoslavië van Slobodan Milošević. Alle bruggen werden platgebombardeerd. Tot 2005 lag er een pontonbrug over de Donau (ter vervanging van een tweetal verkeersbruggen) waardoor het scheepvaartverkeer vanuit het noorden geblokkeerd was. De spoorwegbrug werd snel herbouwd, evenals één verkeersbrug. Nadat in 2005 ook de tweede verkeersbrug klaar kwam en de pontonbrug verdween is er weer scheepvaartverkeer op de Donau mogelijk. Aan de overzijde van de Donau ligt het heuvelland van de Fruška Gora met zijn talrijke orthodoxe kloosters.

Tegenwoordig heeft de stad een kwart miljoen inwoners. Volgens de telling van 1991 vormen de Serven met 65,3 % nu de meerderheid. Nu vormen de Hongaren met 7,6 de grootste minderheid. Verder: Kroaten 3,3; Yugoslaven 12,4; Slovaken 3,1; Montenegrijnen 2,3; Grieks Orthodoxen 0,9 en overigen samen 5,1 percent.


Sremski Karlovci

De Vrede van Karlowitz of het Verdrag van Karlowitz (Servisch Cyrillisch: Сремски Карловци, Duits: Karlowitz, Turks: Karlofça, Hongaars: Karlóca) werd in 1699 ondertekend in Sremski Karlovci (een stad in Servië) en kwam tot stand dankzij de bemiddeling van Engeland en Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het verdrag betekende het officiële einde van de Grote Turkse Oorlog van 1683-1699 die de Turken verloren. De oorlog, tussen het Ottomaanse Rijk en de Heilige Alliantie, begon in 1683 met een mislukt beleg van Wenen door Kara Mustafa.

Na een twee maand durende congres tussen de afgevaardigden van het Ottomaanse Rijk en de Heilige Alliantie, een coalitie van Europese mogendheden waaronder Habsburgers, het Pools-Litouwse Gemenebest, de Republiek Venetië en het Russische Rijk, werd het verdrag op 26 januari 1699 getekend.

Het Ottomaanse Rijk stond geheel Hongarije (behalve het banaat van Temesvár), een groot deel van Transsylvanië en Slavonië aan de Habsburgers af, Podolië (een streek in het huidige Oekraïne) ging naar Polen. Dalmatië samen met Morea (het schiereiland Peloponnesos) werden aan Venetië gegeven. De Russen, die in 1696 Azov veroverden, sloten een apart vredesverdrag (Vrede van Constantinopel) met het Ottomaanse Rijk in 1700.
Bij de Vrede van Passarowitz (1718) kreeg het Ottomaanse Rijk Morea samen met Kreta terug van Venetië.

Het verdrag van Karlowitz luidde het begin in van de daling van de Ottomaanse invloed in Oost-Europa, waardoor de Habsburgers de dominante macht in zuidoostelijk Europa werden.


Belgrado

Belgrado, letterlijk "Witte Stad" is de hoofdstad van de Servische Republiek, werd door de NATO gebombardeerd.

Kalemegdan

In stadsdeel Stari Grad ligt de Kalemegdan (verbastering van het Turkse Kale Meydan, Fortplein). Pas in 1521, 132 jaar na de Slag van Kosovo, werd de Belgrado Vesting door de Osmanen veroverd, en bleef, afgezien van korte periodes van Servische en Oostenrijkse bezetting, tot 1867 in Turkse handen. Het park rondom het kasteel is de groene oase van de stad. Het is met de talrijke kronkelende wandelpaden en schaduwrijke bankjes het meest populaire park onder Belgraders. Bij de Sahat Kula (klokkentoren) en Zindan kapija (Kerker poort) heb je een schitterend uitzich over de Donau.

Binnen de muren bevind zich het hexagonaal grafmonument van Silahdar Damat Ali Pasa (1667-1716), de Osmaans veroveraar van Moreia. Damad Ali Pasha was Grootvizierten tijde van Sultan Ahmed III en leidde het Turkse leger in de strijd tegen Oostenrijk in Petrovaradin. Hier raakte hij gewond en stierf op 5 augustus 1716. Zijn lichaam werd meegenomen en begraven in de Belgrado Vesting. De huidige turbe werd opgericht in 1783. Later werden ook de commandanten Pasha Selim (1847) en Hasan Pasha (1850) er in bijgezet. De Kalemegdan is ook bekend vanwege zijn kilometers lange tunnels, ondergrondse gangen en catacomben, die nog grotendeels onontgonnen zijn.

De officiele geschiedschrijvers en huidige machthebbers worden liever niet aan deze Turkse periode herinnerd. Hun held is de de eerste orthodoxe aartsbisschop van Servië en de stichter van de Servisch-orthodoxe Kerk, Sint Sava.

Sint Sava

Deze Sava Nemanjic was de jongste zoon van grootžupan Stefan Nemanja van Servië. Hij werd op 15-jarige leeftijd župan van Hum (Herzegovina), maar verdween een jaar later in een Russisch klooster op de Athosberg in Griekenland. Vervolgens werd hij monnik in het Griekse Vatoped-klooster. Zijn vader voegde zich bij hem in 1197 onder de kloosternaam Simeon. In 1208 keerde zijn zoon naar Servië terug om een einde te maken aan de burgeroorlog tussen zijn broers Vukan en Stefan. In 1219 haalde hij de patriarch van Byzantium over hem aan te stellen als eerste aartsbisschop van Servië, wat hij bleef tot 1233. Daarvoor schreef hij de Kormchaya kniga ("Boek van de roerganger"), de Slavische versie van de Byzantijnse Nomokanon, de collectie van kerkelijke canons en civiele wetten (Grieks: nomoi), die Sava verplicht stelde voor alle Slavisch-Orthodoxe kerken in zijn gebied.

Op 12 januari 1236, tijdens zijn tweede pelgrimstocht naar Jeruzalem, sterft Sava aan een longontsteking in Veliko Tarnovo, waar hij ook begraven werd. Later werden zijn restanten overgebracht naar het klooster Mileseva in Zuid-Servië. Ze zouden 360 jaar later worden opgegraven en openbaar worden verbrand in het Karadorde-park, op de plek waar in 1985 werd begonnen aan de bouw van de grootste Oost Orthodoxe kerk op aarde. De ruwe bouw van de op de Ayasofya van Istanbul geinsprireerde Heilige Sava-kathedraal van Belgrado was voltooid in 2004.

Karadorde

Voor de kerk van Sava staat een standbeeld van Karadorde (Zwarte George, 3 nov 1768 - 13 juli 1817). Met zijn gigantisch zwaard leidde hij de Eerste Servische opstand tegen de Turken, en werd postuum verheven tot stichter van het Koninklijk Huis van Karadordevic. Tussen 1842 en 1858 hadden ze de macht 12 jaar in handen, al zou het tot 1903 duren voor zijn nakomelingen de kroon echt mochten opzetten. In tegenstelling tot andere Balkanstaten als Griekenland, Bulgarije en Romanie importeerde de Serven geen leden van Europese vorstenhuizen voor hun troon.

Karadorde kreeg vanwege zijn donkere huidskleur en korte lontje de bijnaam "Zwarte George". Hij leide op 2 februari 1804 een opstand in Orašac. Aan het eind van dat jaar veroverd hij Belgrado en sluit een bondgenootschap met Rusland. In 1812 tekent Rusland echter een vredesverdrag met Turkije. Servië werd in 1813 opnieuw door de Turken bezet. In tegenstelling tot Karađorđe, die naar Oostenrijk en later naar Moldavië vluchtte, gaf Miloš zich aanvankelijk over aan de Ottomanen. In 1815 organiseerde hij echter de Tweede Servische Opstand. Hij bleek een uitstekend staatsman en wist door militaire tactiek en diplomatie de ene overwinning na de andere te behalen. Ten gevolge hiervan erkende sultan Mahmut II hem in december 1815 als vorst van Servië met beperkte soevereiniteit. De Obrenović-dynastie verwierf het recht tot belastingheffing van de Turkse sultan in ruil voor een vaste jaarlijkse afdracht. Karadjordje vlucht naar Bessarabië, waar hij zich aansluit bij de geheime Griekse Heteria. De Grieken bezorgen hem een vals paspoort helpen, waarmee hij Servië binnen dringt in de hoop Miloš Obrenović af te slachten. Op 24 juli 1817 wordt Zwarte George betrapt en onthoofd. Obrenović zond diens afgehakte hoofd naar Constantinopel.

Tegen 1830 was Miloš Obrenović in zijn semi-onafhankelijk vorstendom onder Osmaanse supervisie zo rijk geworden, dat hij bij de sultan in ruil voor leningen nieuwe rechten kon kopen. De hierop volgende periode stond in het teken van felle strijd tussen de families Obrenović en Karađorđević. In wreedheid doen ze niet voor elkaar onder.
Pas in 1903 weet de familie Karađorđević definitief op geweldadige wijze de macht te verwerven. Middels een alom gevreesde ondergrondse beweging berucht als de Zwarte Hand weten ze diep in het leger van koning Alexander Obrenović door te dringen. De Servische kolonel van de militaire inlichtingendienst, Dragutin Dimitrijević, drong op 11 juni 1903 met een groep officieren van het garnizoen van Belgrado het koninklijk paleis binnen en schoot Koning Alexander, Koningin Draga, haar twee broers en de minister van Oorlog dood. De naakte lichamen werden via een raam in de tuin geworpen en door de Nušićevastraat gesleept. Met Alexander stierf de dynastie Obrenović uit.
Het Osmaanse Rijk streeft al snel een normalisatie van de betrekkingen na. Het komt tot felle protesten in Griekenland als de nieuwe Servische koning Peter I in 1909 een staatsbezoek brengt aan Sultan Abdulhamid II en samen met hem een rijtoer door Istanbul maakt.

In 1919 roept Zijne Majesteit het Koninkrijk van Serven, Kroaten en Slovenen uit, vanaf 1929 Koninkrijk Joegoslavië geheten. Joegoslavië werd in 1945 een federale republiek.


Smederevo

Visser van Oresac..Geweldig vers vis aan de donau
Smederovo ligt op 46 kilometer ten zuidoosten van de hoofdstad Belgrado aan een rivierhaven langs de Donau. Het woord Smederevka betekent vrouw uit Smederevo. Het woord staat ook voor de druivensoort waarvan de wijn wordt vervaardigd. De Smederevkawijn is een zeer populaire wijn in Servië.

Smederevo heeft een van de grootste forten van Europa. Dit middeleeuwse fort werd tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers misbruikt als arsenaal voor hun munitie. Op 5 juni 1941 had hier een katastrofische explosie plaats, die duizenden mensen in de stad doodde en het tussen 1428 en 1430 n. Chr. door Đurađ Branković gebouwde fort zwaar beschadigd.

Het fort werd gebouwd als een militaire vesting in de vorm van onregelmatige driehoek. Elke kant heeft een lengte van meer dan 500m en ruimte binnen de muren is meer dan 10 hectare.

De bouw van Smederevo had plaats in de tijd dat de eerste kanonnen werden gebruikt. Dat is de reden waarom de bouw van de vesting begon volgens de opvatting van de verdediging met zwaard, boog, goedendag en andere koude wapens. Maar tijdens de bouw kwam de invoering van kanonnen en werden de muren en torens grootschaliger en sterker om de grotere vernietigende kracht van kanonkogels te weerstaan. De kleinste breedte van de muren aan de Donau-zijde is 1,90 m. Echter, aan de meer bedreigde landzijde is de dikte van de muren en torens minimaal vier meter. Toen het fort klaar was maakte Brankovic Smederevo zijn residentie. Van 1430 tot 1439 was het de hoofdstad van Servië.

Smederevo werd in 1439, na een belegering van twee maanden, ingenomen door de Osmanen. Het dichtbij gelegen Belgrado viel pas 80 jaren later. In 1444 werd Smederevo, overeenkomstig de voorwaarden van de Vrede van Szeged tussen Hongarije en de Osmanen de stad teruggegeven aan Đurađ Branković, die is gelieerd aan Johannes Hunyadi. Op 22 augustus 1444 nam de Servische prins vreedzaam bezit van de stad. Toen Hunyadi het vredesverdrag brak, bleef Đurađ Branković neutraal. Servië werd het strijdtoneel tussen het Koninkrijk Hongarije en de Osmanen, en de boze Branković nam Hunyadi gevangen na zijn nederlaag bij de Tweede Slag om Kosovo in 1448. Hunyadi werd voor een korte tijd opgesloten in de vesting van Smederevo.

Branković laat hem vrij in ruil voor het gebied van Tokaj in Hongarije. Daar plantte de Servische heerser daar druiven uit Smederevo. Waaruit de beroemde witte Tokaji wijn zou voortkwam.
In 1454 belegerde Sultan Mehmed II Smederevo. De stad werd bevrijd door Hunyadi. In 1459, na de dood van Branković, werd Hunyadi opnieuw gevangen genomen door de Turken. De stad werd een Turkse grens-fort, en speelde een belangrijke rol in de Osmaanse-Hongaarse Oorlogen tot 1526.
In het najaar van 1476 probeert een gezamenlijk leger van de Hongaren en Serviërs om de vesting op de Osmanen te veroveren. Zij bouwden drie houten tegenvestingen, maar na maanden van beleg komt Sultan Mehmed II zelf aanrijden en vluchten ze weg.
Voor een lange periode, werd de stad de hoofdstad van de Sanjak van Smederevo. De Turken bouwde aan de Donau-zijde een buitenmuur en drie torens voor de kanonnen op de hoeken. Aan de voorzijde van de belangrijkste poort naar de stad was er een andere toren met een kanon, dat werd verwoest in 1880.

De grote hoofdtoren is verdeeld in drie verdiepingen, met op elke verdieping nissen waarin kanonnen konden worden geplaatst. Alle torens hadden een dak en schoorsteen en diende als accommodatie voor de soldaten. Op de toren in de buurt van de Jezava is een marmeren plaat met Turks inscriptie die werd geplaatst toen en buitenste fort werd gebouwd.

Uit de Turkse tijd stamt het badhuis (hamam) en in het centrum van de grote binnenstad bevinden zich de overblijfselen van een moskee. In een kleine binnenstad zijn er ook resten van gebouwen uit de Turkse tijd. Buiten de vesting op de plaats van de middeleeuwse stad, ontwikkelde zich na 1815 het moderne deel van de stad Smederevo.

Tijdens de Eerste Servische Opstand in 1806, werd de stad weer een paar jaar de tijdelijke hoofdstad van Servië, evenals de zetel van de Sovjet Praviteljstvujušči, een regering geleid door Dositej Obradović. De eerste christelijke school werd opgericht in 1806. Daarna werd de stad weer ingenomen door de Turken tot het jaar 1867. Tot die tijd was een klein garnizoen van de Turkse soldaten en Turks dorpje van honderd huizen in het fort. Op 12 april 1867 had voor de ingang van de toren op de belangrijkste poort naar de stad de overdracht van de sleutels van de Turken aan de Servische soldaten plaats. Op dat moment was Smederevo de best bewaarde middeleeuwse burcht in het land. Enkele jaren na het vertrek van de Turken werden de eerste foto's gemaakt die laten zien dat de vesting bijna volledig was behouden. De eerste veranderingen begonnen na het jaar 1880, toen langs het fort een spoor-en treinstation werd gebouwd.

In de Eerste Wereldoorlog werd de stad door de artillerie van de Donauzijde aangevallen. In de Tweede Wereldoorlog werd de stad omgetoverd tot een opslagplaats van munitie, die op 5 juni 1941 explodeerde. Door die explosie werden grote delen van de vestingmuren in de buurt van de hoofdingang verwoest, en in 1944 werd Smederevo gebombardeerd vanuit de lucht. Een bom viel naast de toren aan de stadsmuur en dat is de reden waarom deze toren licht overheld.

In 2003 had de stad 62.900 inwoners, en in Smederevo gaat er een brug over deze rivier. De bezienswaardigheden in Smederevo zijn naast het 15e-eeuws fort de Sint Joriskerk en de vestingwerken bij de Donau


Velika Plana

Aan de rand van de stad Velika Plana zijn drie belangrijke monumenten: het 15e eeuwse Koporin nonnenklooster, waar Despoot Stefan Lazarevic, zoon van Prins Lazar van de Slag van Kosovo is begraven. Het Pokajnica klooster werd aan het begin van de 19e eeuw gebouwd als een teken van berouw door de moordenaar van Karađorđe, een van de leiders van de Eerste Servische Opstand en stichter van de Karađorđević dynastie. Op op 4 km afstand bevind zich een kleine kerk, gebouwd door koning Alexander Karađorđević van Joegoslavië op de exacte plaats van zijn voorvader werd onthoofd.


Aleksinac

Aleksinac wordt voor het eerst vermeld in 1516 als dorp in de Turkse Krusevac sanjak. Aangezien de Romeinse Via Militaris door Aleksinac loopt, weten we dat de kruisvaarders van de eerste vier kruistochten hier langs kwamen om Constantinopel te bereiken.
Tijdens het bewind van de Nemanjić dynastie viel dit grondgebied onder directe controle van de Byzantijnse staat. Na de dood van Uros V werd dit gebied opgenomen in het grondgebied van Servië Moravische onder de Prins Lazar en zijn opvolgers.

Na de vermelding in de "Kruševački Tefter", de lijst van de steden en inwoners gemaakt door de Turken bleef Aleksinak een dorp tot het zich aan het einde van de 16de eeuw tot een stad ontwikkelde. In het midden van de 17de eeuw is Aleksinac een stad met meer dan 100 winkels. Vanwege haar strategische ligging op de weg naar Constantinopel werd het een belangrijke reis-en caravan station. In 1616 bouwde de Turken hier een fort om de reizigers te beschermen tegen struikrovers en andere wettelozen. De ontwikkeling van Aleksinac kwam tot stilstand tijdens de zogenaamde Grote Turkse Oorlog (1683-1699). Aleksinac werd veroverd door Oostenrijkse leger onder Ludwig van Baden, later weer heroverd door de soldaten van Jegen-Osman Pasha.

Aleksinac werd door Grootvizier Hallil Pasha gestraft tijdens de tweede Oostenrijks-Turkse oorlog (1716-1718) nadat hij werd verslagen onder de muren van Belgrado. Na de derde Oostenrijks-Turkse Oorlog (1737-1739) ontwikkeld Aleksinac zich tot belangrijk handels-en handwerkcentrum met caravans uit het hele Ottomaanse Rijk en Centraal-Europa. Tijdens de vierde Oostenrijks-Turkse Oorlog (1787-1791) werd Aleksinac geplunderd door een bende onder leiding van Osman Pazvan.

Aleksinac wordt tijdens Eerste Servische Opstand in januari 1806 de plaats waar Vuča Žikić zijn beruchte Deligrad loopgraven aan de noordzijde van de stad groef. Na de mislukking van de Eerste Servische Opstand blijft Aleksinac Turks tot en met december 1832, waarna ze deel uit maakt van prins Miloš's Servië.
Aleksinac was ook de site van de grote veldslagen in Eerste Serbo-Turkse oorlog in 1876. Aleksinac werd ernstig beschadigd tijdens de NAVO-bombardementen op Joegoslavië in 1999 en had in 2002 een bevolking van 17.171 personen.


 

Niš

Niš is een van de oudste steden van de Balkan. Gelegen op de kruising van wegen naar Istanbul, Belgrado, Sofia en Griekenland ligt het op een economisch en militair strategische plaats. In het Romeinse Rijk heette de stad Naissus (stad van de nimfen).
Na 395 behoorde de stad tot het Byzantijnse Rijk. In de daaropvolgende eeuwen was Niš afwisselend in Byzantijns, Bulgaars en Servische handen om in 1385 voor het eerst door de Osmaanse Turken te worden veroverd. Stefan Lazarević heroverde de stad voor de Serven, maar in 1459 werd ze opnieuw Turks, ditmaal om het tot 1878 te blijven. De Turken bouwden er tussen 1719 en 1723 een belangrijke vesting (Tvrdjava), die tot een van de mooiste van de Balkan behoord en nog steeds bestaat. Helaas is het complex van vier gebouwen (1720-1723) langs de zuidelijke wallen van het fort en de Turkse Arsenal (1857) in de buurt van de Stambol Gate in 1972 omgebouwd tot een galerie voor kunstzinnige en/of artistiekerige uitingen. In de gewelfde kamers van de bewakers is een souvenirwinkel gehuisvest. De moeite waard te bezichtigen is de Bali Bey's Moskee (begin 16e eeuw) in het centrale deel van het fort en het oude Turkse badhuis (15e eeuw) in de buurt van de Stambol Poort bij de ingang van de burcht. Er zijn resten van een Romeins gebouw met mozaïeken (2e-4e eeuw) aan de noordelijke zijde van het fort.

Tot de bezienswaardigeheden van de stad behoord ook de Schedeltoren aan de Zoran Djindjic Boulevard. Op 31 mei 1809 leden de Serven op de Čegar heuvel een paar kilometer ten noordoosten van Nis de grootste nederlaag in de Eerste Servische Opstand tegen het Osmaanse Rijk (1804-1813). De Servische commandant Stevan Sinđelić besloot, die om overgaven aan de Turken te voorkomen, dat hij en de rest van zijn mannen massaal zelfmoord zouden plegen.
De Turkse bevelhebber van Niš, Hursid Pasha, gaf opdracht de hoofden van deze dode Serviërs te scalperen en deze met katoen te vullen. Zo werden de koppen naar Istanbul gestuurd als bewijs voor Sultan Mahmud II. De onthuidde schedels liet hij langs de weg naar Sofya in een toren metselen als een waarschuwing aan iedereen die zich tegen het Osmaanse Rijk keerde. In totaal werden 952 schedels in de toren opgenomen, met de schedel van Sinđelić op de top.

In 1878 kwam Niš met de Vrede van San Stefano in Servische handen. In 1892 werde er in heel Servië geld opgehaald en een kapel gebouwd links van de toren. Vandaag zitten er slechts 58 schedels van de kleine duizend in deze toren, met inbegrip van die van Sinđelić.
Aan de voorzijde van de kapel staat het monument voor Sinđelić, en een klein reliëf beeltenis van de strijd, zowel uit 1937. Het monument ter herdenking van de slag in de vorm van een bewaker toren werd gebouwd in 1927 op Čegar Hill door Julian Djupon. Het onderste deel is gemaakt van steen uit de Niš fort.

Op 7 mei 1999 werd de stad door de NAVO gebombardeerd.


Pirot

Tegenwoordig telt de stad zo'n 40.000 inwoners, en bestaat volgens de volkstelling van 2002 voor 92,79% uit Serven. De grootste tweede groep wordt gevormd door de Roma met 3,83%. Van begin tot eind juli is het kersenpluktijd en wordt de stad overspoeld door honderden jongeren die hier tot wel 800 dinar zakgeld per dag kunnen verdienen met het plukken van de kersen.

De stad Pirot is gebouwd op de site van Romeinse Torenforten uit de 3e eeuw. De eerste schriftelijke vermelding was op een Romeinse kaart uit de 4de eeuw. Een toren, de Tabula Peuntigeniana, gebouwd op de zuidelijke helling van de Sarlah Heuvel om de belangrijkste weg in dit deel van het rijk te controleren. Reizigers konden hier slapen, verfrissingen en verse paarden aanschaffen.

In de loop van de 4e eeuw groeide de toren uit tot een Byzantijnse vestingstadje, Quimedava geheten. Het heeft nogal te leiden van de aanhoudende invasies van de Gotische stammen in de volle 4de eeuw en de Hunnen in de 5de eeuw. Vanaf de late 8ste eeuw maakte het stadje deel uit van het Eerste Bulgaarse Rijk.

Aan het begin van de 11de eeuw werd Quimedava opnieuw door de Byzantijnen veroverd, tot de stad in 1182-1183 wordt ingenomen door een gezamenlijk Servisch-Hongaars leger en voor het eerst werd het een Servische stad gemaakt, maar wordt weer Bulgaars na de succesvolle opstand van Asen en Peter aan het eind van de 12de eeuw. Het vestingstadje bleef Bulgaars in de 13de en 14de eeuw en wordt voor het eerst Pirotski (Pirot) genoemd. Uit deze periode stamt de Kerk van St.. Paraskeva in Staničenju.

In 1386 wordt het vestingstadje voor het eerst door het Osmaanse leger veroverd, maar het bezit van de regio wisselde verschillende keren tussen de Serven en Osmanen. In de 15de eeuw wordt Pirotski definitief de Osmaanse vestingstad Şehirköy (Legerplaats). En groeit uit tot een prachtige en rijke Turkse stad. De goed bewaard gebleven Hisar-vesting, een monumentale Konak uit de 18 eeuw en het in de Hristić gevestigde Ponišavlja Museum zijn de getuigen van deze bloeiperiode.

De inwoners van Pirot startte met de Shopi inwoners van huidig noord-west Bulgarije, met steun van Servie in 1836 de weinig succesvolle "Pirot rebellie". In 1841 heeft de evenmin succesvolle "anti-feodale nationale opstand" tegen de Osmaanse autoriteiten plaats. In december 1877 veroverden de Bulgaren de stad. De Accoorden van San Stefano wijzen Pirot in 1878 aan Bulgarije toe. Maar een paar maanden later wordt de stad volgens de Accoorden van Berlijn aan Servia toegevoegd. Tijdens de Servo-Bulgaarse Oorlog van 1885 werd Pirot kort bezet door Bulgarije. Tussen 1915-1918 in de Eerste Wereldoorlog wordt Pirot opnieuw bezet door Bulgarije.

In Pirot zijn Dancing bar "Odeon", het Museum van Ponišavlja, de vestingstad Momčilov, het gebouw van het klooster van St. George in de buurt van het dorp Temska, het klooster van St. Johannes de Doper en het Klooster Poganovo een bezoek waard.

TV Pirot

In het noorden en noordoosten van Pirot ligt de Stara Planina, de grootste en volgens bergkenners de mooiste berg van Servië. De piek Midžorom markeert de grens tussen Servië en Bulgarije.

Sretan Put..

 
Nederlands TürkçeDeutsch English

You are here  :